terug naar index
Bezoek aan Gent

In 1816 reisden Lord Byron en zijn lijfarts, John William Polidori, per postkoets van Engeland naar Italië. Van 27 tot 29 april verbleven zij in Gent. Over hun bezoek aan de stad schreef Polidori in zijn dagboek.
(Na de Engelse tekst volgt een Nederlandse vertaling door de redactie.)

 

April 27. – At Gand Charles the Ist of Spain was born. It was here he really showed the insufficiency of ambition and all the joys of manhood. After having at Brussels resigned to Philip his extensive dominions, he came here, and enjoyed many days while passing over the scenes of  his youth, which neither the splendour attached to a European or an Indian crown nor the conquests of his powerful and noble views could efface. He did not seek Pavia; no, it was Gand that he sought for his last draught of worldly joy. The town was worthy of it, if beauty and antiquity, if riches and libetry with all their train, could render it worthy of him. This town has all the beauty of Bruges, but more extensive: finer houses perhaps, fine cathedral, fine paintings, fine streets, fine canal. The streets are perhaps the fines I have seen; not so unpleasantly regular as London, not so high, but more rich in outside.

We visited the Cathedral; and, after having been accustomed to the tinselly ornaments of our Catholic chapels, and the complete want of any in the Scoth and English churches, we were much pleased with the Cathedral’s inside dress: paintings that were by the hand of masters; the fortune of a bishop expended in building the part near the altar in marble and statues not contemptible, united with the airy, high frettet roof and little light, impressive of awe. Under this Cathedral is the first Belgian church that was built in the reign of Charlemagne, 800 years, I think, after Christ. It is low-roofed, but so strong it bears the weight of the Cathedral upon it. There were several paintings preserved in it (before the date of oil-painting), where the colours are mixed with white of egg. Some curious tombs, where the different styles are evident. In the earliest tomb some of the draperies on the relief are in a bold fine style. One of the earliest has a bishop, where all his robes are carved out, with almost the threads of his vest. Others however, are for general effect. We mounted 450 steps to the top of the steeple; whence we saw a complete horizon of plain, canals, intersecting trees, and houses and steeples thrown here and there, with Gand below at our feet. The sea at a distance, bound by the hands of man, which pointed “So far shall ye go and no farther.” Brugesheld in the horizon its steeples to our view, and many hamlets raised from out their surrounding wood their single spires to sight.
Treading again the iron-plated 450 stairs, we came into the street; and, mounting into a fiacre.
(...)

I have found the people polite, so far as showing the way and then not waiting for a reward – taking off their hats as if you had done them the favour.
(...)
Having eaten, I issued forth in search of the Promenade, and found the canal with walks called La Coupeure. Many ladies, all ugly without exception – the only pretty woman being fat and sixty. It very much resembled the Green Bassin, where our West-end cits trot on one another’s heels with all possible care: not quite so crowded. Coming back, I tourized to the Roi d’Espagne, where, as in a coffe-house, I found a room full of disreputable women and card-tables. This, instead of the streets, is the lounge for such women. I went to the Café Grand, where by means of mirrors some excellent effects are produced. There also were billiards, cards, dice, etc. A cup of  coffee, some centimes; a glass of lemonade, twou sous; a woman presides at the end of the room.
 “Lord Byron” was in the Ghent Gazette. Lord Byron encouraged me to write Cajetan, and to continue being a tragedian. Murray offered £ 150 for my tour.

April 29 –  Looking from my window, I saw a native dashing about in a barouche and four. There is in the town a society of nobles, and another of literati. Mr. Scamp has a fine collection of pictures, which I did not see. In Ghent, as well as in all other places where I have been, the barber’s sign is Mambrino’s helm. On Saturday morning there is an market for flowers in pot in the Place des Armes.

 

Nederlandse vertaling

27 april – Karel I van Spanje [= keizer Karel] werd in Gent geboren. Hier toonde hij waarachtig wel  dat het hem [als jongeling] ontbrak aan ambitie maar dat hij wel genoot van alle pleziertjes van de mannelijkheid. Nadat hij in Brussel al zijn bezittingen aan Filip [zijn zoon] had overgelaten, kwam hij naar hier en genoot er vele dagen, mijmerend over de beelden van zijn jeugd, die noch de glans, verbonden aan een Europese of een Indiaanse kroon, noch de overwinning van zijn machtige en nobele inzichten konden doen vervagen. Hij zocht Pavia niet op [waar hij in 1525 zijn aartsvijand, Frans I van Frankrijk, een smadelijke nederlaag had toegediend], neen, hij zocht Gent op voor zijn laatste momenten van wereldse vreugde. Als de stad zoveel voor hem kon betekenen, was zij dat ook waard, met haar schoonheid en haar oudheden, rijkdom, vrijheden en alles wat daarbij hoort.
Deze stad heeft alle pracht van Brugge, maar dan op grotere schaal: wellicht mooiere huizen, mooie kathedraal, mooie schilderkunst, mooie straten en een mooi kanaal. De straten zijn wellicht de mooiste die ik gezien heb; niet zo onaangenaam als [die in] Londen, niet zo hoog [bebouwd] maar met rijker voorkomen.

We bezochten de kathedraal en, gewend aan de klatergouden versiering van onze katholieke kapellen en het volledige ontbreken daarvan in de Schotse en Engelse kerken, waren wij aangenaam getroffen door de aankleding binnen: schilderingen van de hand van meesters, het fortuin van een bisschop, dat werd besteed aan het bouwen van het marmeren zijaltaar en niet te versmaden beeldhouwwerk, samen met het luchtige, ruim van ’s voorziene plafond, en weinig licht, ontzagwekkend. Onder deze kathedraal werd de eerste Belgische kerk gebouwd tijdens het bewind van Karel de Grote, 800 jaar na Christus, meen ik. Het gewelf ervan is laag maar zo sterk dat het het gewicht van de kathedraal torst. Menige [muur]schildering (van voor de tijd van de olieverf) bleef erin bewaard, de kleuren ervan zijn gemengd met eiwit. Van enkele merkwaardige graftombes zijn de verschillende stijlen duidelijk merkbaar. In de vroegste tombe is de kledij op het relief in een krachtige, fijne stijl. Een van de vroegste bevat een bisschop[sfiguur] waarvan alle gewaden [zo fijn] uitgesneden zijn, bijna tot de draden van zijn [mis]kleed. Andere geven nochtans een vlakker effect.
We beklommen 450 treden tot helemaal in de top van waar we een volledige horizon zagen, van vlakten, kanalen, met daartussen hier en daar vespreide bomen en huizen en torenspitsen, met Gent aan onze voeten. De zee op een afstand, bedwongen door mensenhanden, die aangaf  “Zover mag je gaan en niet verder.” Aan de horizon toonde Brugge zijn torenspitsen en veel gehuchten verhieven hun spits te midden van omringende bossen.
Opnieuw langs de met ijzer beklede 450 treden bereikten we de straat en bestegen we een rijtuig... 
(...)

Ik vond de mensen beleefd, ze toonden de weg en wachtten dan zelfs niet op een beloning – ze namen de hoed af alsof jij hen een dienst had bewezen.
(...)
Nadat we gegeten hadden, vertrok ik op zoek naar de Promenade en ik vond het kanaal met wandelwegen dat de Coupure genoemd wordt. Veel dames, zonder uitzondering lelijk, de enige aardige vrouw was dik en zestig. Het leek erg op de Green Bassin waar onze bewoners van West-End zich elkaar met alle mogelijke zorg op de hielen lopen: maar niet zo vol volk.  Op mijn terugweg kuierde ik naar de Roy d’Espagne waar ik, als in een koffiehuis, een zaal aantrof vol dames van twijfelachtig allooi en kaarttafels. Dit, en niet de straat, is de plaats waar dergelijke vrouwen rondhangen. Ik ging naar het Café Grand waar met spiegels enkele uitstekende effecten werden bekomen. Er waren ook biljarts, kaarten, dobbelspelen enz. Een tas koffie [kostte] enkele centiemen, een glas limonade twee stuivers: een vrouw houdt toezicht aan het einde van de zaal.
 “Lord Byron” stond in de Gazette van Ghent.  Lord Byron moedigde mij aan om Cajetan[Gaetano Polidori (1764-1843), een Italiaanse geleerde, auteur en uitgever die in Londen woonde] te schrijven en om door te gaan als toneelschrijver. [John] Murray [Byrons uitgever] bood mij £ 500 voor mijn reis[verslag].

29 april – Vanuit mijn raam zag ik een plaatselijke bewoner driftig rondrijden in een kales [kleine koets] met vier [paarden]. In deze stad is er een vereniging van edelen, en een andere van literatoren. Mijnheer Scamp heeft een mooie collectie schilderijen, die ik niet zag. In Gent, net als in alle andere plaatsen waar ik geweest ben, is het teken van de barbiers een Mambrino-helm [helm als een omgekeerd plat scheerbekken, zoals Don Quichote er een droeg]. Op zaterdagmorgen is er op de Kouter een markt van potplanten.

Uit:

John William Polidori : The diary of dr. John William Polidori, 1816, relating to Byron, Shelley etc. (1911), p. 37-39 en 43-44