terug naar index
Beeldenstorm

Te Gent werd een nieuw orkaan ontketend tegen kerken en kloosters. Hembuyse’s benden stelden zich niet tevreden met de klokken der torens, en de kandelaars der altaars. Heiligbeelden en outers vielen onder den hamer, en midden het stof der verdelging galmde het woord der nieuwe predikanten.

Bij nacht sleurden eenige burgers van de wacht in het Gravenkasteel een drietal beelden uit de collegiale kerk van Sint Veirle, en plaatsten die, met narrenhoeden getooid, gelijk karnavalbeelden, op drie stukken kanon. Het wekte groote verslagenheid bij de geloovigen die niet meer ter kerk durfden gaan.

Toch waagden de stoutsten zich nog naar het lof in de St. Niklaaskerk waar met één gespaard gebleven klokske werd geklept. Broeder Vanderhaegen knielde aan het altaar. Plots stormen burgers en soldaten binnen, verjagen het volk, en vernielen alles wat binnen hun bereik ligt. Het klokje had voor het laatst geluid.

Vergeefs trachtte Broeder Vanderhaegen den storm af te keeren. Toen een der geuzen de hand naar zijn glinsterenden kazuifel uitstak, rees hij ontzagwekkend recht, en zijn oogen vlamden de ontheiligers tegen. Een poos slechts lieten zij zich door den geduchten prediker beheerschen, toen gingen bijlen en breekijzers dreigend met de vuisten de hoogte in, en zij snauwden hem toe:
– Houd U zeer koest, stoute paap, of wij zullen U ook gelijk een gekroonde zot op een kanon te pronk zetten!

Hierop beklom de predikheer de altaartrappen, knielde diep vóór het tabernakel, nam vol eerbied de heilige Teerspijs welke hij in een paarsen beursjen op zijn hart borg.
Gehuld in zijn breeden mantel, waarvan hij de kap diep over zijn hoofd sloeg, stapt Broeder Vanderhaegen stil voort met Christus op zijn hart. Hij denkt aan de eerste martelaren der kerk die zich steenigen lieten liever dan Christus te verliezen. Geen mensch ter wereld zal hem den Schat kunnen ontrukken dien hij op zijn boezem draagt.

Hij marcheert in de richting der Vrijdagmarkt, het hoofd gebogen, verslonden in aanbidding. Een oud, schuw vrouwtje, met zwarte falie, dat hem bijna tegen het lijf loopt, kermt wanneer zij den kloosterling in hem herkent:
– Pater, pater, de hel is ginder losgebroken!
Op de Vrijdagmarkt hield een groote wagen stil, volgestapeld met kerksieraden, altaartafelen, crucifixen, wierookvaten, misboeken, houten heiligenbeelden, en, heelemaal bovenop, ligt een reuzig Kristusbeeld.
– Naar de galg! Naar de galg ermee! tierde het gepeupel.

Soldaten, reeds half bedronken, geholpen door burgers die zat of zot leken van grimbekkend plezier, sjouwden de beelden en kruisen op een hoop onder de galg, wierpen er de boeken op, en slingerden er dan een vuurlont in. Toen de vlammen opflakkerden werd er rond dien heiligschendenden brandstapel gedanst en geraasd.

Bevend van verontwaardiging en ontroering slaat Broeder Vanderhaegen het afgrijselijk schouwspel op afstand ga. Met de beide gevouwen handen op het beurzeken, waarin een God schuilt, bidt hij:
– Heer, vergeef het hun!

Een wolk van aschvlokken warrelt met den wind over het plein. Midden den rook, die van de verpulverde beelden aanhoudend opwalmt, ziet de predikheer een ladder tegen de galg rijzen, en een man er opklimmen.

Wijl spotgelach opratelt, waarbij zich ook schimpende kinderstemmekens voegen, wordt het levensgroot beeld van den Gekruiste aan een schobbejak op de ladder toegestoken, en met een touw, boven den immer rookenden aschhoop, aan het galghout geheschen. Het gebeurt alles koortsig vlug. Het is als een tafereel uit een nachtmerrie. Plots slaat een nieuwe, heldere vlam op, en likt de voeten en beenen van den Zaligmaker. Over het plein joelt nu als een duivelsche vreugdemare die door kindermonden in de aanpalende straten verder rondgestrooid wordt:
– Ons Heere is gehangen op de Vrijdagmerkt!

Met een sidderende ziel staat Broeder Vanderhaegen het tragisch visioen aan te staren. Dan, het hoofd nog dieper gebogen, marcheert hij vlug doorheen de Lange Munte, naar het huis van apotheker Van Coudenborch dat hij van ver herkent aan den houten gaper met de narrenmuts en den vijzel, onder den luifel.

Hij treedt den medicyn-winkel binnen en ziet er, achter de toonbank, onder een gedroogde en opgevulde krokodil aan de zoldering opgehangen, Van Coudenborch in zijn apothekerstabberd staan. In een hoek, onder een rij potten, flesschen, alembieken, smeltkroezen en bussen van hout of tin, grijnst het geraamte van een aap. Van Coudenborch, het ernstig gelaat gebogen, stampt kruiden in een grooten koperen vijzel.

Uit:

Jef Crick: Monica (1932-1933), geciteerde ed. 1944, p. 192-194




Vind dit boek in de bibliotheek Gent