terug naar index
Aan de stad Gent

Geen kruipend slavelied gewoekerd door ’t belang,
Mag langer d’adeldom der Poëzy verlagen.
Hij kent haar godheid niet, die ’t juk haar wil doen dragen.
    HELMERS.

  I.

Vorstin van Vlaanderen, ontvang mijn groet vol vlijheid!
Gij vestigde eens uw stoel op uw gemeentevrijheid,
 Nog heft ge een fiere kruin.
Verdedigd door den Leeuw, die u zijn troon wil schenken;
Nog spreekt tot onze ziel de stemme van ’t herdenken
 Uit uwer burchten puin.

’t Gorduunsche voorgeslacht, bij ’t aaks- en knotsenzwieren,
Met forschgespierden arm, den blonden schedel hoog,
Stond vast, toen de Adelaar, aan ’t hoofd van Romes gieren,
Den bosschen van den Belg bloedzuchtig tegenvloog,
 En ’t mocht, met nog bedreigend oog,
 Al stervend zelfs, op Rome zegevieren.

Groot en ontzagelijk, als het eeuwenheugend bosch,
 Dat, schildsgewijze, ’t overdekte,
 Kloekmoedig, bruisend, fier als ’t ros.
Dat, krijgs- en jachtgenoot, ten vriend en makker strekte,
Was ’t als de lucht zoo vrij, als elk Germaan zoo trotsch.

Wanneer de menschheid voor het zielsjuk nog verstomde,
En ’t leenheerschap haar ’t lijf, gelijk een lastdier, kromde,
 Droegt gij alreeds de burgerkroon.
Gewijd of ongewijd, ten ziels- of lijfsverwurger
Was u geen stervling, neen! “Ik ben een Gentsche-burger!”
 Sprak met Romeinschen trots uw zoon.
Nog zijn uw kindren Vlaamsche braven;
Onbuigbre telgen, volk, door niemand te verslaven,
Dat, liever dan te kruipen in het zand
Voor d’overheerschten graaf, verfranschten dwingeland,
 Ter Vrijdagmarkte snelde,
En, bij het bliksemzwaard van Philip Artevelde,
Riep, als één enkel held: “De dood, maar niet de schand!”
Zij stammen van dit bloed, dat, schoon met ijzren tanden,
De bleeke honger ’t knaagde in rillende ingewanden,
 De vijanden te velde riep;
Dat werken dak verliet, als burger-krijgsgenooten
 De bres op ’t slachtveld toegeschoten,
En eigen adeldom uit eigen deugden schiep.

  II.

Ja, edel, eerbiedwaard als in verleden dagen,
 Blijft gij, o Vlaandrens sterke vrouw,
Te groot dan dat aan u geen laster laf zou knagen.
Toch dorst geen laster ooit of immer u verlagen
Tot moeder van een kroost, der rampe niet getrouw.

Getuig’ ’t de zieke, die een gasthuis op ziet rijzen,
Door burgerhand gesticht met vorstenmajesteit,
En op die haven Gods uit vroegere eeuw blijft wijzen,
 Met tranen van erkentlijkheid.
Getuige dit de vorst, wien Neerland lang bleef roemen
 En als een vader noemen,
Wiens arm aan moedertaal noch nijverheid ontbrak,
 Tot Neerlands vredetroon, met ijselijken smak,
Neerstortte. Bracht ge niet den grijze uw liefdebloemen,
Die u een vriendenhand, al stervend, tegenstak?

  III.

Nog moogt gij, met vorstinneschreden,
Fier naast uw zustren, Belgies steden,
Voortstappen, welbeminde, een gouden staf ter hand.
Met welke kransen kunst en kennis hen omhangen,
Schoon ’t beeldbezielend vuur eens Rubens op uw strand
Niet glom, in de armen mocht ge menig kind ontvangen,
 Dat gij, in moederliefde ontbrand,
Kunt roemen als den steun en de eer van ’t vaderland.

De grootste keizer, sedert Karlomagnus tijde,
Naast hem, aan wien Parijs een reuzenzuile wijdde,
Ontlook, bij Vlaanderens lach, uit uw verrukten schoot.
Maar hoe? Wat zie ik, o benijdbare en benijde!
 Vanwaar uw schaamterood?
Wat bergt ge uwe tranen, Karels moeder?
 Was u die Vlaming op den troon
Niet tot beschutter, niet uw kindren tot een broeder?
Was hij, hoe groot een man, gering als dankbre zoon?
Ween langer niet: zie rond, zijn beeld is neergevallen!
’t Kasteel, gesmeten op uw bloedend moederhart,
 Verdween, maar in uw vrije wallen
Rijst eens uw Artevelde omhoog, bij ’t hymneschallen
 Des volks, uw Artevelde tot een bard.

  IV.

Al ziet gij ook met stot de vanen overdolven,
Die vijftig neringen ontrolden in uw lucht,
Thans zweeft u boven ’t hoofd, voorhenen zoo geducht,
 Een grauwe stoomvaan, breed bij golven
Den schouwpilaren van uw nijverheid ontvlucht.
 Uw strooien daken zijn vervangen
Door burgerwoningen, als ridderburchten stout.
Het oog blijft zalig aan uw nieuwe tempels hangen,
Waarin het heilig Recht zijn vorstelijkheid ontvouwt,
Of waar de Wetenschap aan ’t uitgerekt verlangen
Der ingewijde jeugd haar schatten toevertrouwt,
Nog stelt ge in éenen blik voor ’t oog, van liefde ontvonkeld,
Drie zegeteekens van uw grijze macht ten toon:
Uw Kapitool, helaas! eene onvoltooide kroon;
Uw Belfroot, met den draak der kruisvaart overkronkeld,
En Bavo’s tempel, als zijn kunstjuweelen schoon.

Maar ’t is geen stout gebouw, hoe prachtig,
Geen kunstig doek of steen, waarom u ’t harte viert:
 Gij waart daar zonder groot en machtig,
En zoudet groot ook zijn daar niet mede opgesierd
Neen, ’t is omdat ge altijd uw burgers moogt bestempelen
 Met d’ouden naam van vrank en vrij!
Neen, ’t is omdat altijd in hunne ziele-tempelen,
 Vol van godvruchte melodij,
De christenliefde woont, geen Scriben-huichlarij.
’t Is om hun vrijheidszin, dat vaste merk van Belgen.
 Daarom minde Artevelde uw telgen;
Daarom wilde Alva, toen hij op uw Belfroot stond,
Met uw gedachtnis tot den wortel u verdelgen;
Daarom minde u Oranje uit zijnes harten grond.

Ja, zonder blozen slaat ge uwe oogen op de graven,
Waaruit de heldenstem van uw Borluten breekt,
Waaruit een Viglius nog tegen Spanje u spreekt.
Gij voelt uw grootheid steeds: gij huivert te doen draven
 Naar eenig’ menschenwenk
De vrijheid van uw geest, het schoonste Godsgeschenk.

  V.

Die vlam, op ’t voorhoofd u van boven
 Gedaald, is u nog heilig als weleer.
Wanneer die levenssprank der ziel in u zal dooven,
 Is Gent in Gent niet meer!
Die vlam versmeedde eens hier ten heldenzwaarde ’t kouter.
Nu dat geen vreemd geweld, maar Fransche letterpest,
Ons dreigt, glom zij hier eerst op Vlaamschen letterouter,
En, klimmend stout en stouter,
Handhaafde uw eererang in ’t Taalgemeenebest.
Die vlam ontsteekt uw Van der Vinckt in ijver,
Wanneer hij ’t schriktooneel der zestiende eeuwe maalt,
En Neerland, dat, gezweept ten bloede door den drijver,
Na tachtig jaren strijds op monsters zegepraalt.
 Die vlam bezielde uw Zevecoten,
 Vorst van den Vlaamschen bardenstoet,
Door Godes hand verlost, bij d’aangevlogen vloed.
Wanneer hij Leiden zong, door Spanjes klauw omsloten,
“De vogel is alleen geboren om te snijden
Met vleugelen de lucht, de paarden om te rijden,
 En wij om vrij te zijn.”
Zóo zong uw Heinsius: dat zóo uw dichters zingen,
 Of dat hun laffe snaren springen,
En slijk hun kruin bedekke, en hunne naam verdwijn’!
 Die zielsvlam koestert ge in uw stille stadsgebouwen,
Waarheen de Wetenschap de schaamle kindren wenkt,
Die aan uw diadeem de schoonste perel schenkt,
 En laat den wijze hier vertrouwen,
Dat, bron van leven en van licht.
Het onderwijs eens de ark van ’t volksgeluk zal bouwen,
Verheven door de wet tot algemeenen plicht.

  VI.

Kan ’t zijn, dat broeders hier de taal der vaadren schennen;
Dat zij die bron, die zon van volksgeluk miskennen,
Hier, waar een Ruwaart sprak: “O Gentenaren, spaart
Den Franschen Prins; ’t is nog een kind. Wanneer wij keeren,
 Zal Gent het Vlaamsch hem leeren,
 En hij beminn’ den Vlaamschen aard.

Ontwaakt, o dooden!... Hoort de taal der vaadren klinken!...
Zij spreekt in uw gemoed waar huisvermaken blinken,
Bij ’t wiegje. of d’ouderhaard, die zoo verkwikkend blaakt.
Hoort!... ’t Vlaamsche koorgezang rolt, vloekend elken kluister.
Ontwaakt, de taal herleeft!... Eens bracht ze aan Vlaandren luister,
 Nu brengt ze ’t licht… Ontwaakt!

  VII.

O dierbaar plekje gronds, geen ander lacht op aarde
Mij zoo verlokkend aan. De stad, waar zij me baarde,
Die mij zoo teeder minde en nevens vader rust,
En ’t zoet geboortedak, en ’s Denders kronkelingen,
Verliet ik alles niet, hoe vol herinneringen,
 Voor uw gezegende eerekust?

De Heer gaf aan mijn kroost den naam van Gentenaren
Tot edel volksblazoen, bekroond met lauwerblâren.
 De Heere zij gebenedijd!
’t Gevoel van eigen waarde, o Gent, blijve u doorgloeien!
Blijf Vlaamsch! blijf vranken en vrij, wat hand u wille boeien.
 Die vleiend u het felst bestrijdt.

 Uw Belfroot, fier omhoog geschoten,
Die zuile des verdrags, door graaf en volk gesloten,
Waar elke steen u geldt als een herinnering,
Dat kan verzinken, hoe uw liefde daaraan hing’:
Gij kunt niet storten, niet verdwijnen in de banden
Van domheid en geweld, vereende dwingelanden,
 Dan als de naam van Arteveld’ verging!

 Wat mist ge, ‘opdat een schaar van zielen
 Moog’ voor uw zetel nederknielen,
O lichtbaak van Europe in middeleeuwschen nacht?
Wat mist gij, wie elk eeuw met glorie bleef omglansen?
Een Vlaamsche lier, die ’t hoofd u kroont met dichterkransen, -
 Een veder, vrij en groot gelijk ons voorgeslacht!

Uit:
Voorzang van ‘Jacob van Artevelde’ (1859), gecit. ed. in: Gentsch museum jrg. 2 (1895-1896), p. 242-246


Vind dit boek in de bibliotheek Gent