terug naar index
’t Kulderke : een burgerkleedij als ’t u belieft?

Revuetekst, in 1907 opgevoerd in het Nieuwe Circus.

Zangwijs: Chanson vecue

                   I
O brave lieden der stad Gent,
Wier goedig hart wijd is bekend,
          Wilt mij aanhooren;
‘k Hoop dat u mijn gegronde klacht
In dees revue hier uitgebracht,
          Niet zal verstooren;
Zoals ge ziet, ‘k ben weezekind,
In ’t kuldershuis ik schuilplaats vind
          Want, ‘k zal verklaren:
De dood ging met mijn ouders heen
En ‘k bleef op aarde gansch alleen,
          ‘k Was pas zes jaren!

                   II
Voorzeker, in het weesgesticht,
w’Ontvangen nevens onderricht,
          Voldoende zorgen;
Aan meenge klacht biedt men gehoor,
We moeten ook niet vreezen voor
          den dag van morgen;
Maar waarom moet – o’t dient gezeid –
den stempel der liefdadigheid
          onz’ kleeding dragen?
Onze képi, onze tuniek,
Kan slechts in d’oogen van ’t publiek
          Ons doen verlagen!

                   III
Wij kulders, hebben zelfs geen naam:
We zijn genummerd al te saam
          Gelijk soldaten;
Kan men dan niet liefdadig zijn,
Hoewel dien militairen schijn
          Wordt weggelaten?
Een kleeding dus als burgermensch,
Dat blijve steeds den grootsten wensch
          Der kulders allen;
Het kenmerk der menschlievendheid,
Dat aan een wees wordt voorbereid,
          Zou moeten vallen!

                   IV
Intusschen stuur ik lof en eer
Aan U Mevrouw, aan U Mijnheer,
          Die ons kwaamt helpen;
Mijn dank aan ieder edel hart,
Dat onze bittre weezensmart
          Zoo graag kwam stelpen;
En mocht nu ook mijne kritiek,
Voor wat betreft onzen tuniek,
          Zijn doelwit treffen,
Dan zouden wij een dankbre beê
Voor onz’ weldoeners hier ter steê,
          Ten hemel heffen!

Uit:

Jules Antheunis [e.a.]: Hoe hedd’het op dan? : revue in 3 bedrijven en 4 tafereelen (1907), p. 60-61 (Nieuwe Circus Gent)